100 Jaar de Ronde - ©Centrum Ronde van Vlaanderen en Flanders Classics

Kelly Gevaert

  • Job:
  • Favorite destination:
  • Likes:

Vlaanderens mooiste blaast dit jaar 100 kaarsjes uit: 100 jaar bloed, zweet en tranen, helden en pechvogels, bittere strijd en pensenkermis. Goed voor een adembenemend verhaal, waarvan de eerste woorden alvast onsterfelijk zijn.

"Heeren, vertrekt!" Zo sprak Karel Van Wijnendaele het startsignaal uit voor de allereerste Ronde Van Vlaanderen. We schrijven 25 mei 1913. De rest is geschiedenis.

De Droom van Karel

100 Jaar de Ronde Voluit 2 - ©Centrum Ronde van Vlaanderen

Als klein jongetje droomde hij ervan om ooit zelf aan de startlijn te staan … Maar zijn schrijftalent bleek groter dan zijn koerstalent. Daarom werd Karel Steyaert, alias Van Wijnendaele, sportjournalist. Met succes! Jan met de pet was gek op zijn bloemrijke stukken over heldhaftige sportmannen. In 1912 richtte Karl mee de krant Sportwereld op en ging hij op zoek naar een nieuwe koers om die krant te promoten. Hij tekende een parcours uit door ‘de beide Vlaanders’ van Gent langs Sint-Niklaas, Aalst, Oudenaarde, Kortrijk, Veurne, Oostende, Torhout, Roeselare en Brugge terug naar Gent: de Ronde Vlaanderen was geboren.

Maar het zou niet van een leien dakje lopen. De eerstkomende decennia zou de wedstrijd internationaal amper iets te betekenen hebben. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zou ze zelfs even helemaal verdwijnen. Maar koppige Karel zou voet bij stuk houden en de Ronde laten uitgroeien tot het monument van vandaag.

Halve wilden

Officieus startte de allereerste Ronde van Vlaanderen in 1913 op de ‘Koornmarkt’ in Gent, officieel begon de wielerwedstrijd in Mariakerke. Klinkt ingewikkeld? De officieuze start was voor de show: voor het publiek en de fotografen. De officiële start was die wanneer de tijd begon te lopen. Het verschil tussen officieuze en officiële start bestaat ook vandaag nog. Na 324 intense kilometers bereikten de wielrenners opnieuw in Mariakerke de eindmeet, op de wielerbaan. Logisch, want pisterennen was toen immens populair. De eerste Vlaamse Ronderenners maakten al furore in de ‘vélodromes’ van Brussel, Parijs, Chicago en New York. Maar een opperbeste reputatie hadden ze niet. De ‘Flandriens’ zoals ze in de buitenlandse pers genoemd werden, reden als ‘halve wilden’ en ‘lomperiken’. Maar die rechttoe-rechtaanstijl kwam hen nu wel van pas.

De Meet

100 Jaar de Ronde Roeselare - ©Centrum Ronde van Vlaanderen

37 renners durfden in 1913 aan de start te verschijnen, slechts 16 haalden de eindmeet. De Franse deelnemers mochten op het nippertje niet meedoen omdat hun oversten het parcours te gevaarlijk vonden. Uiteindelijk was het Paul Deman uit Rekkem die aan het langste eind trok. Hij haalde de meet na meer dan 12 uur koers met een gemiddelde van net geen 27 km/u. Enkele jaren later, tijdens de Eerste Wereldoorlog, zou hij werken als spion. Hij bracht spionageberichten over naar de geallieerden net over de Nederlandse grens. Per fiets.

Een mooi voorbeeld van de bonkige en brutale Flandrien die voor niets of niemand terugwijkt. Het beeld werd sindsdien door journalist Van Wijnendaele verder uitgedragen en geïdealiseerd: de Vlaamse wielrenners als vlaggendragers van een heel volk. Een volk van werkmensen die wroeten tot ze erbij neervallen. 

De traditie

Net als het cliché van de Flandrien, staat ook het parcours in ons geheugen gegrift als een geheel van ruige hellingen en voorhistorische kronkelwegen. En dat terwijl het bij voorkeur slijk regent, vingerkootjes afvriest en renners tot espenbladeren doet verstijven. Maar klopt dat beeld wel? Ja en nee. Al bij al viel het weer in twee derden van de gevallen wel mee. Maar in de jaren dat het slecht was, was het wel apocalyptisch slecht. Zoals in 1951 toen nota bene ‘IJzeren Briek’ Schotte geen nieuwe band kon leggen omdat zijn vingers bevroren waren.

Van loodzware hellingen had hij toen gelukkig nog niet zoveel last. Want tot in de jaren vijftig zaten er in heel het parcours maar enkele hellingen. De meest beruchte was de Kwaremont – ook wel ‘Kwaaie Remonte’ genoemd. Toch kwamen de spektakelzoekers van die tijd al ruim aan hun trekken. De winderige kustvlakte enerzijds en de Vlaamse steenwegen anderzijds eisten hun tol. De steenwegen van toen lagen er meestal erger bij dan de slechtste wegen nu: vol grof gekapte, ongelijk verspreide kasseien. Zo erg dat de renners nog liever op de ‘veloweg’ reden: een smalle strook naast de rijbaan bedekt met grind.

Internationale Roem

100 Jaar de Ronde valpartij - ©Centrum Ronde van Vlaanderen

Na de Tweede Wereldoorlog verschoof het zwaartepunt van de Ronde. De eens zo bultige steenwegen waren namelijk door opeenvolgende wegenwerken in vlaktes van asfalt en beton veranderd. Om de moeilijkheidsgraad te behouden, kwamen er topografische kaarten en mensen van de streek aan te pas: de hellingen van de Vlaamse Ardennen lonkten. De Ronde moest haar niveau bewaken, want ook internationaal behoorde de wielerwedstrijd ondertussen tot de top.

Voor de steeds talrijkere buitenlandse starters én winnaars vernieuwde het parcours zich voortdurend: met nieuwe startplaatsen, eindmeten en steeds meer spectaculaire hellingen. Een zoektocht die niet zelden tot controverses leidde. Zoals in 1987: toen Jesper Skibby op de Koppenberg door een volgwagen van de sokken werd gereden. Of recenter in 2012: toen bleek dat De Muur geen deel meer zou uitmaken van het parcours.

De Helden

100 Jaar de Ronde Voluit 2 - ©Centrum Ronde van Vlaanderen

De mythische moeilijkheidsgraad van de Ronde bracht logischerwijze heel wat helden voort. Elk op hun manier wisten ze in de loop der jaren het publiek te bekoren met spectaculaire stunts. Zoals Briek Schotte die maar liefst 20 keer deelnam aan Vlaanderens topklassieker, een indrukwekkend record. Of Rik Van Steenbergen die als negentienjarige voor het eerst aan de start verscheen en meteen de overwinning als jongste wielrenner ooit op zijn palmares mocht schrijven. Eddy Merckx begon in 1969 met nog 70 kilometer te gaan aan een onmogelijk gewaande solorit, die hij afrondde met een voorsprong van meer dan 5 minuten. De stunt kreeg nog meer waarde door de barslechte weersomstandigheden die dag. Een schril contrast met de stralende zon in 2012 toen Tom Boonen erin slaagde tijdens de eerste vernieuwde Ronde een 3de overwinning op zijn naam te schrijven. Slechts een handvol renners gingen hem daarin voor: Achiel Buysse, Fiorenzo Magni, Eric Leman en Johan Museeuw. 

Moeten er nog Flandriens zijn?

Voor hij stierf, schreef Karel Van Wijnendaele: “In 1913 was de Ronde een klein, mager, schamel jongetje. Maar het werd een reus.” En wat blijft er nu nog over van die ruige en bonkige Flandriens van toen? Vandaag rijden de renners niet meer ieder voor zich, maar in ploegen. Ze bestrijden elkaar met allerlei tactieken. En ook de techniek is mee geëvolueerd: waar vroeger de wollen trui en broek van Briek Schotte als een spons regen en modder opzogen, draagt Tom Boonen polyester en lycra om de regen buiten te houden. En de befaamde biefstuk tegen zadelpijn is (gelukkig?) vervangen door een synthetisch vel. Al wordt een huidvriendelijke ‘chamois crème’ nog altijd aangeraden.

Maar de regen blijft natuurlijk even nat, de ‘bergen’ hebben nog steeds dezelfde hellingsgraad en de kasseien liggen er nog altijd weerbarstig bij. Logisch dus, dat ook vandaag nog de winnaars van Vlaanderens Mooiste als volkshelden op handen worden gedragen.

Back to top